Lucide Liefde - roman van een tijdreiziger

OVER MIJ

Wouter Veldboer (1972) woont na een aantal omzwervingen, waaronder Israël, sinds 2002 in Amsterdam. Hij is daar werkzaam in het onderwijs. Zijn jeugd bracht hij door in Huissen bij Arnhem, waar hij naar de middelbare school ging en deze roman zich afspeelt. Sinds zijn studententijd in Nijmegen schrijft hij zowel verhalen als gedichten, gebaseerd op persoonlijke ervaringen, zonder autobiografisch te worden. Daarvoor beginnen karakters en gebeurtenissen onder zijn pen al snel eigen levens te leiden en het alledaagse te overstijgen.

SAMENVATTING

Ben Beenen is al jarenlang wiskundeleraar op de middelbare school die hijzelf doorliep. Vanuit zijn klaslokaal kijkt hij uit op de smalle dijk waar hij als zestienjarige met zijn vader op een zaterdagavond naar een klasgenote reed. Hij had haar mee uitgevraagd naar een concert van Golden Earring. Van die bewuste avond bestaan twee versies in zijn hoofd. Als hij zich na een open dag per ongeluk laat insluiten en zichzelf voor de keus gesteld ziet staan om het alarm af te laten gaan of de rest van het weekend op school te blijven, dringt het verleden zich zo sterk aan hem op, dat hij het stap voor stap herbeleeft. Hij lijkt er zelfs invloed op uit te kunnen oefenen, maar hij houdt zich in. Tot hij is teruggekeerd op de dijk en weer op de achterbank van zijn vaders auto zit. Met gekromde tenen. Vanuit het donker komen razendsnel twee fel brandende koplampen op hen af...

INKIJKJE

Zaterdagavond. Het gedimde licht van de koplampen van mijn vaders Renault 4 drong met moeite door het schemerdonker. Regen gutste tegen zijn voorruit. We reden over de voor autoverkeer eigenlijk te smalle Huissensedijk, volgens mijn vader de snelste verbinding tussen Huissen en Driel. En snelheid was geboden. Om acht uur gingen alle gereserveerde kaartjes de vrije verkoop in. Onmiddellijk nadat ik hem had verteld waar het plaatsvond, bood hij me aan om ons te brengen. Waarom dan toch weer zo laat vertrokken? Ik deed het zelf vanwege een gebrek aan tijdsbesef, mijn vader leek er telkens iets mee te willen bewijzen. Aan zijn nieuwbakken vriendin Angela? Haar moesten we ook nog eens moeten oppikken, buiten het zicht van mijn moeder aan de kant van een landweg. Voor een gezellig avondje in de grote stad, zoals ze het bij het instappen omschreef. Ik kon haar wel villen. Anders mijn vader wel. Als hij ergens een hekel aan had, was het wel aan uitgaan. Hij zag er het nut niet van in. Waarom voor drank drie, vier keer de normale prijs betalen? Om dezelfde reden luisterde hij liever thuis naar muziek dan dat hij naar een concert ging, ondanks de afspraak dat hij het thuis met een koptelefoon zou doen. Mijn moeder stond daarop. Het gevolg: een gigantische platenverzameling. Niettemin had hij Angela haar zin gegeven. Met een zucht liet ik me tegen de rugleuning van de achterbank vallen.

‘Rustig, Ben, we redden het wel.’

Het chagrijn droop van mijn vaders woorden.

‘Dat denk jij, ja.’

‘Ja, dat denkt hij, ja.’

Angela mengde zich in het gesprek ter verdediging van mijn vader, terwijl hij chagrijnig was vanwege haar, niet vanwege mij, toch? Ik begreep er geen snars meer van en draaide me van hen af. Door de achterruit onderscheidde ik vaag silhouetten van ingezakte hekken, verdwaalde paarden en donkere wolken boven kaal akkerland. Regendruppels leken op het raam vooruit gestippelde routes te volgen. Tranen van God, noemde mijn moeder ze. Dan waren mijn vaders autoramen zeker Zijn wangen en de liga’s in de binnenzak van mijn spijkerjas Zijn lichaam. Mijn moeder had ze me op het laatste moment toegestopt. Naast me lag uit de supermarkt, waar ik die zaterdagmiddag vakken had gevuld, een door mij achterovergedrukte zak drop. En mijn schoolagenda. Gisteren had Barbra er ook nog de route naar haar huis in opgenomen. Ik draaide me weer om en knipte het plafondlicht aan. Een kans om Barbra’s routebeschrijving te bestuderen, kreeg ik niet. Met een katachtige uithaal hulde Angela ons opnieuw in het donker.

‘Ben, doe dat licht tijdens het rijden nooit aan als het buiten donker is. Autoramen worden dan net spiegels waar nauwelijks meer doorheen te kijken valt, zeker niet door je vader. Zijn zicht is al zo slecht!’

Zeg maar gerust abominabel. Vanachter het klaslokaalraam, waarvandaan ik als volwassen man met plaatsvervangende bezorgdheid op dit alles terugkijk, hetzelfde waar ik Beenen voor had zien staan, controleer ik Angela’s theorie door ook hier het plafondlicht aan te doen. Voilà. Ik zie een kopie van mezelf in de weerspiegeling van het raam waar het inderdaad lastig doorheen kijken is. Met moeite onderscheid ik de contouren van de tegenwoordig voor autoverkeer afgesloten Huissensedijk, gescheiden van het schoolgebouw door mist en een moeras. Ook op die dijk zie ik een kopie van mezelf, maar dan als mijn jonge ik. Hij zit op de achterbank van mijn vaders oude Renault. Er is veel veranderd. De man waar ik doorheen kijk is mager en kaal. Mijn jonge ik zit nog vol onverwerkt babyvet. Op zijn schedel prijkt, hoe kort ook, de dichtst begroeide haardos uit mijn leven. Onveranderd lijkt alleen de scherpte van onze ogen. Ik zie mezelf ermee door een van de ramen van de Renault kijken, een zijraam ditmaal.

Ik kon het nauwelijks geloven. Hemelsbreed op nog geen honderd meter van mij vandaan verrees uit moerasdampen ’t Schrödinger. Overal in het verregende schoolgebouw scheen vaal tl-licht, behalve in één lokaal op de bovenste verdieping. Daar brandden de lampen voluit en stond een man. Ik wist het zeker. Hij keek me recht in mijn gezicht aan en leek als twee druppels water op mijn vader, maar dan zonder bril. Geen idee waar ik nog het meest van schrok: zijn aanwezigheid in onze school op een zaterdagavond of zijn gelijkenis met mijn vader. Ik wist niet hoe snel ik me weer van hem moest afkeren.

Het volgende wat ik zag, was mijn vader via de achteruitkijkspiegel. Hij keek niet naar mij terug. Strak waren zijn ogen gericht op de weg voor ons en niet zonder reden. Aan de horizon verscheen een tegenligger. Ik kromde mijn tenen. We naderden een viaduct. Een viaduct midden in een dijk? Dagelijks fietste ik over de Huissensedijk van huis naar school zonder me daarover te verbazen. Nu wel, nu er geen tijd voor was. Onze tegenligger naderde de duidelijk voor twee auto’s te smalle wegovergang zonder vaart te minderen. Sterker nog, hij versnelde zonder ook maar te overwegen ons voorrang te verlenen, terwijl wij ons duidelijk dichter bij het viaduct bevonden dan hij. Bovendien dreigden zijn fel ingestelde koplampen ons elk moment te gaan verblinden. Een ogenblik overwoog ik er gebruik van te maken, maar liet mijn agenda dicht. Mijn vader twijfelde eveneens. Wat was het beste: versnellen, proberen de wegovergang voor onze tegenligger te passeren of juist vol op de rem te trappen? Ondertussen beschermde hij met zijn linker onderarm zijn gezicht af van het licht. Ikzelf keek weg, opnieuw naar mijn school. Het klaslokaal was niet langer verlicht en de man achter het raam verdwenen. Had ik het zojuist verkeerd gezien of liet ik me nu teveel verblinden door de koplampen van onze tegenligger? De Renault baadde er inmiddels volledig in. Het maakte niet meer uit. Mijn kermishorloge sprak boekdelen: zeven uur. Op tijd komen was definitief niet meer mogelijk. Met zijn onderarm nog steeds voor zijn gezicht, trapte mijn vader op de rem. Ook ik bedekte nu mijn ogen, maar dan met mijn oogleden. Ik kneep ermee. Hard.


Twitter Facebook LinkedIn Volgen



Recentie Hans Leenders

Recensie van Colette Niekel

Mooie recentie van bol.com

BOEKGOUD

Romanpresentatie "Lucide Liefde" in boekwinkel "Over het Water"